MvH MOTORRIJLES



Voertuigcontrole

Motorrijles bij MvH motorrijles, Beverwijk, Heemskerk en omstreken

Voertuig controle

Controle BRAVO-A

De motorrijder controleert de:
B: banden (profiel, spanning en ventiel)
R: remmen (remvloeistof, afstelling en technische staat)
A: aandrijving (ketting/tandriem)
V: verlichting (werking)
O: olie (niveau)
-
A: algemene zaken (accu, vering, koeling,bedieningsorganen)

De motorrijder controleert van de banden:

  • Het profiel van de hoofdgroepen. Dit moet over de gehele omtrek van het loopplank tenminste 1 millimeter bedragen. Als de profilering minder dan 2 millimeter is, bestaat het gevaar dat de waterafvoer in het gedrang komt. Het is aan te bevelen een band met een profieldiepte van minder dan 2 millimeter te vervangen. De profilering van de band zorgt primair voor de waterafvoer en draagt mede zorg voor de rechtuit-stabiliteit en de stuureigenschappen.
  • De profilering op steentjes, metalen deeltjes enz. en verwijdert deze zonodig op scheuren of barsten in de band
  • Het slijtagepatroon: dit moet regelmatig zijn. Een onregelmatig slijtagepatroon kan wijzen op onbalans, versleten schokdempers of slecht werkende remmen.
  • Nieuwe banden: als de banden nieuw zijn, moet de motorrijder hiermee rekening houden. Nieuwe banden zijn voorzien van een laag met een zekere gladheid en kunnen de eerste tijd niet tot het uiterste worden belast, omdat het contact band-wegdek nog niet optimaal is.

Wat de motorrijder moet weten over bandenspanning:

  • Een juiste bandenspanning is van essentieel belang voor de rijeigenschappen en wegligging van de motor.
  • Een te lage bandenspanning heeft een nadelige invloed op de wegligging en versnelt de slijtage. Bovendien neemt, door een verhoogde rolweerstand, het brandstof verbruik toe.
  • Een iets hogere bandenspanning dan voorgeschreven verbetert de rijeigenschappen en is niet gevaarlijk, hooguit wat minder comfortabel.
  • De bandenspanning moet gecontroleerd worden wanneer de banden koud zijn.
  • Bij het vervoer van een duopassagier en/of van veel bagage en bij het langdurig rijden met hoge snelheid, moet de bandenspanning worden verhoogd. De waarde staat in het instructieboekje of op een sticker op het spatbord of de achtervork.
  • Bij controle van de bandenspanning moet de motorrijder ook het ventiel nakijken. Hierbij moet hij erop letten of het ventiel nog recht staat en het borgmoertje vastzit.
  • Belangrijk is de aanwezigheid van de zogenaamde stofdop. Deze dop gaat vervuiling van het ventiel tegen en vermindert daarmee het risico van een langzaam leeglopende band. Bovendien kan bij hoge snelheden het ventiel worden open gedrukt als het stofdopje ontbreekt; waardoor lucht ontsnapt. Stalen stofdopjes zijn betrouwbaarder dan kunststof exemplaren.

Wat de motorrijder moet weten over de remmen:

  • Onderdelen van de reminrichting mogen geen inwendige of uitwendige lekkage of beschadigingen vertonen.
  • Remslangen mogen niet ernstig zijn misvormd, niet langs andere voertuigdelen schuren en geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
  • Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt.De remvoering van wielen met een schijfrem mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
  • Als de motor een trommelrem heeft die wordt bedient met een remkabel, moet de bestuurder de kabel controleren op rafels, zowel bij de hendel als onderaan bij de bevestiging aan de trommel.
  • Het rempedaal en de remhendel mogen niet zo een slag maken, dat het pedaal of hendel tot een aanslag kunnen worden ingetrapt of ingedrukt.
  • In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Het zakken van het remvloeistofniveau hoeft niet te betekenen dat de reminrichting defect is. Meestal houdt het verband met het slijten van de remblokjes. Bij verlaagd remvloeistofniveau moet de motorrijder wel opletten of er geen lekkages zijn. Het zonder meer bijvullen van remvloeistof lost niets op; niet doen dus!

Wat de motorrijder moet weten over aandrijving (ketting/tandriem):

  • Tijdens het gebruik rekt de ketting uit; hij wordt dus langer. Daarom moet de ketting regelmatig worden gespannen.
  • De kettingspanning wordt gemeten in het midden tussen beiden tandwielen aan de onderste omloop van de ketting. Op deze plaats mag de ketting enige spelling vertonen (zie instructieboekje)
  • Kettingen hebben regelmatig onderhoud nodig. Zeker na een lange rit in de regen moet een ketting gesmeerd worden. Hoe en waarmee is terug te vinden in het instructieboekje.
  • Bij het smeren van de ketting moet ervoor gezorgd worden dat het vet niet op de band terecht komt. Hierdoor kunnen gevaarlijke situaties ontstaan.Cardanaandrijving controleren op olielekkage.
  • Een getande aandrijfriem heeft over het algemeen geen bijzonder onderhoud nodig. De spanning dient voldoende te zijn om te voorkomen dat de riem over de tanden van de riemschijf glijdt.

De motorrijder moet de verlichting kunnen aanwijzen, bedienen en (zelfstandig) controleren:

  • Groot licht
  • Dimlicht
  • Richtingaanwijzers
  • Achterlichten
  • Kentekenplaatverlichting
  • Remlicht, dat moet werken bij de bediening van de voor- en achterrem.
  • Claxon

Wat de motorrijder moet weten over de olie:

  • Als de motor onvoldoende met olie is gevuld, kan deze vastlopen. Daardoor ontstaat een gevaarlijke situatie.
  • In het algemeen moet het oliepeil gecontroleerd worden bij een koude motor of bij een warme motor die tenminste enkele minuten geleden is uitgezet. Er zijn echter motoren waarbij het oliepeil gecontroleerd moet worden nadat de motor even heeft gedraaid (dry-simp smering)
    Bij het peilen van het olieniveau moet de motor conform het instructieboekje zijn geplaatst.
  • Het oliepeil wordt gecontroleerd met een peilstok. Ook is het mogelijk dat een venstertje aanwezig is, waardoor te zien is of er nog voldoende olie in de motor aanwezig is.
  • Na het bij vullen van olie mag het niveau niet boven maximum komen.

Wat de motorrijder in het algemeen moet weten over de motorfiets:

  • De accu van de motorfiets moet deugdelijk zijn bevestigd en de bedrading moet goed zijn geïsoleerd.
  • De keerringen van de voorvering (telescoop) moeten op eventuele lekkages gecontroleerd worden.
  • Bij de meeste motoren is de voorspanning van de achterwielvering aan te passen aan de belasting van de motorfiets. Dit wordt aanbevolen bij het rijden met zware belasting (bagage en/of passagier), en wel door de vering op te schroeven.
  • Controle brandstof (hoeveelheid, vulpeninkt en stand brandstofkraan)
  • Indien de motor is voorzien van een vloeistofkoelsysteem, moet de bestuurder wekelijks controleren of er nog voldoende koelvloeistof in het reservoir aanwezig is. Op het reservoir is het minimale en maximale niveau met merkstreepjes aangeduid.
  • De motorrijder moet voorts bekend te zijn met de positie/functie van de diverse bedieningsorganen, controlelampjes, meters en schakelaars, voor zover die hiervoor nog nog aan de orde zijn geweest (zoals noodstopknop, temperatuurmeter, groot licht controlelampjes, enzovoort).

Onderdeel van het AVD examen

Vast onderdeel van het AVD examen is de voertuigcontrole van de motor. De BRAVO-A staat voor:
Banden, Remmen, Aandrijving, Verlichting, Olie en Algemene zaken.

©2014 MvH rijopleidingen / MvH motorrijles. Cool64 webdesign

ADMIN